João & Fernando Teixeira da Câmara

João Teixeira da Câmara

Fernando Teixeira da Câmara

Tekst: Eva Breukink
Fotografie: Studiorootz | Berber van Beek

Mijn hobby is mijn werk.

João Teixeira da Câmara -

João Teixeira da Câmara (1949) is nog elke dag, vijf dagen per week, op zijn kunuku te vinden. Tegen zes, zeven uur ’s ochtends is hij er al en vanaf een uurtje of acht houdt hij vanuit zijn pick-up in de gaten wat de arbeiders op het land doen. Hoe ze met een chapi het onkruid wieden tussen de aanplant. Hoe ze de groentes oogsten. Dit is vruchtbare grond en meer boeren hebben in dit deel van Banda Ariba een terrein. Teixeira da Câmara heeft van niemand last. Hij zit daar in zijn auto, radio aan, en geniet van de rust, van de frisse wind, van het platteland. Wat verderop is een graafmachine aan het werk, hier hoor je alleen de vogels tjilpen.

Boer Teixeira da Câmara is graag op zichzelf. Hij houdt van de stilte. En als hij wat zegt, is dat nog altijd doordrenkt met die typische Portugese tongval. Hij heeft acht kinderen, maar woont alleen in zijn huis op Montaña. Feestjes, familiebezoekjes, het hoeft van hem niet echt. Het zou wel kunnen. Zijn van oorsprong Portugese familie heeft heel wat nazaten op Curaçao. De meeste ooms en tantes zijn overleden, maar nu zijn er de neven en nichten met hun kinderen.

João is zestien jaar als hij in 1965 vanuit Madeira naar Curaçao vertrekt, waar zijn ouders zich een jaar eerder al hebben gevestigd. Zijn vader werkt in een hotel. Dat is niets voor zoon João die liever als slager zijn brood verdient. Maar uiteindelijk kiest hij dan toch voor een bestaan als boer, een leven dat hij van kleins af aan heeft leren kennen. Op Madeira werkt bijna zijn hele familie op het land. João Teixeira da Câmara is vijfentwintig als hij zijn eerste terrein huurt van de Curaçaose overheid. Hij begint met de kennis die hij heeft opgedaan in de twee jaar aan de landbouwopleiding op zijn geboorte-eiland. Dat is zijn basis.

Bijna vijftig jaar boer

“Ik hou van dit werk. Als kleine jongen op Madeira was ik al graag op het land. Het is mijn hobby. Mijn hobby is mijn werk, zo is het. Die eerste jaren op Curaçao waren een beetje moeilijk. Op Madeira had ik mijn vrienden, mijn eigen buurt. Hier kende ik niemand. Maar later ging het beter. Het is ongelooflijk dat ik al bijna vijftig jaar boer ben op Curaçao. Nee, ik ben nooit terug geweest naar Madeira, nooit. Ik heb een Nederlands paspoort. In mijn hart? Ja, in mijn hart ben ik gewoon Portugees.”

In mijn hart ben ik Portugees.

João Teixeira da Câmara -

“In de jaren zeventig kreeg je nog gemakkelijk een terrein van de overheid. Het departement Landbouw, Veeteelt en Visserij, LVV, verkocht zaden. Ze hadden een uitgebreid assortiment en de prijs was heel laag. Ook waren er medewerkers van LVV die over het hele eiland inventariseerden wat er verbouwd werd. Daarop kon de import worden afgestemd. Dat bestaat allemaal niet meer. Het lukt toch rond te komen door de uitgaven laag te houden. Ik heb bijvoorbeeld geen eigen machines. LVV komt ploegen en als het nodig is huur ik daar een tractor.”

“We werken eigenlijk nog op dezelfde manier als toen ik begon. Van wat je verdient, blijft er niet veel over, net genoeg om van te leven. Als wij als boeren wat meer inkomsten hadden, zouden we meer kunnen produceren. Dan kun je bijvoorbeeld investeren in een automatisch drip-systeem of kassen. Ik hoop dat een van mijn kinderen het bedrijf overneemt, als ik het niet meer kan. Eén van mijn zonen heeft interesse en helpt zo nu en dan. De rest trekt het boerenleven niet aan. Zij hebben voor een andere toekomst gekozen. Dat zou ik nooit doen. Ik kijk tevreden terug op de afgelopen vijftig jaar. Als ik het over kon doen, zou ik weer boer worden.”

Diefstal is niet te voorkomen.

João Teixeira da Câmara -

Zaad en brandstof

Het begint met de zaadjes. Heel belangrijk, die moeten goed zijn. Teixeira da Câmara is jaarlijks 3.000 tot 4.000 gulden kwijt aan zaden. Die koopt hij bij de Agrarische Koöperatieve Vereniging (AKV) aan de Seru Loraweg. Daarnaast gaat er veel geld op aan benzine voor de generator. De elektriciteit is nodig om het putwater naar het land te pompen. Brandstof wordt steeds duurder. Een vat benzine van ongeveer 200 liter kostte vroeger 200 gulden. Nu betaalt Teixeira da Câmara 400 gulden voor dezelfde hoeveelheid, twee keer zo veel dus. Om de pompen aan de praat te houden, gaat er elke week zeker een vat benzine doorheen.

Zonder putwater is er niet voldoende water. Heel anders dan op Madeira waar het elke dag regent. Een boer op Curaçao moet goed opletten in de droge maanden. Zaaien kan alleen als er voldoende water beschikbaar is. Op het land van Teixeira da Cãmara zijn twee putten. Het grondwater wordt via buizen naar de bebouwde grond gepompt. Wanneer welk deel van het land water krijgt, wordt handmatig geregeld door slangen te verplaatsen en kranen te openen of te sluiten.

Rouleren met gewassen

Teixeira da Câmara kreeg dit terrein vijf jaar geleden van de overheid. Het is huurgrond, ongeveer zes hectare. Daarop teelt hij een groot aantal soorten groenten en fruit, zoals: paprika, komkommer, okra, bosui, zoete aardappel, watermeloen, papaja en bananen. Van alles een beetje. Zo kan hij makkelijker inspelen op de vraag van de afnemers. De gewassen wisselen elkaar steeds af. Dan wordt de grond eerst omgeploegd en geprepareerd voor de teelt van weer een andere groente of een andere vrucht. Zo komt de aarde tot rust en blijft op kracht.

Diefstal is niet te voorkomen. Het is een open terrein en de dieven komen ’s nachts. Bewaking met honden is geen optie, de dieren zouden gewoon gedood worden. De dieven kiezen doorgaans voor de grotere producten. Nu is dat bijvoorbeeld watermeloen of papaja, maar eerder is Teixeira da Câmara zo wel eens in één nacht dertig geiten, dertig varkens en 28 koeien kwijtgeraakt. Dat was een enorme klap. Hij heeft daarna nooit meer zo veel vee gehad.

Elk jaar een ander gewas.

João Teixeira da Câmara -

Rondje supermarkt

Drie keer per week, op maandag, woensdag en vrijdag, maakt Teixeira da Cãmara een ronde langs de supermarkten op het eiland. De dag ervoor wordt geoogst. Of en hoeveel er kan worden verkocht, is elke keer weer spannend. Teixeira da Câmara begint zijn ronde op de bonnefooi, zonder dat er afspraken zijn gemaakt over welke producten hij zal aanbieden en tegen welke prijs. Zo doet hij dat al jaren en op deze manier werkt het voor hem het beste. Dus komt de Portugese boer langs met de oogst van een dag eerder en de supermarkt neemt het fruit en de groentes af waar vraag naar is. Wat overblijft gaat naar de varkens en de geiten achter op het land. Van de geoogste producten gaat niets verloren. De opbrengst van de verkoop is voldoende om de maandelijkse kosten van het bedrijf te kunnen dekken en genoeg voor ‘een normaal leven’.

DE ZOON

Fernando Teixeira da Câmara

Net als zijn vader verbouwt Fernando Teixeira da Câmara (1973) in 2019 nog groente en fruit op een terrein van ongeveer vijf hectare. En net zoals vader João is Fernando elke dag op zijn land te vinden. Niet alleen door de week, maar ook in het weekend. Rond half zeven in de ochtend begint hij de planten water te geven. Op het heetst van de dag, tussen 13.00 uur en 16.00 uur, is hij thuis om te eten en uit te rusten. Dan weer terug naar de kunuku, zijn plantage. De jonge aanplant krijgt dan nog eens twintig minuten water via het drip-systeem. Tussen de bedrijven door helpt Fernando mee met zaaien, wieden en oogsten. Ongeveer zes uur ’s avonds zit de dag erop. En zo gaat dat, elke dag weer. Alleen op zondag houdt hij het tegen elf uur voor gezien. Die middag en avond wil hij thuis zijn voor zijn gezin en familie. Fernando heeft ook al een opvolger op het oog voor als hij zelf te oud is voor het zware werk op het land: zijn kleinzoon van anderhalf.

Vrijheid en voldoening

“Ik ben ermee opgegroeid en ik hou ervan. Daarom verbouw ik groente en fruit. Die sfeer op de plantage, de vrijheid die je hebt, daar kan ik echt van genieten. Je begint vroeg en kunt je dag indelen zoals je zelf wilt. Met een mooie oogst voel ik me helemaal gelukkig. Het is prachtig als je op zo’n manier een gezin kunt onderhouden.”

“Het is belangrijk dat op het eiland zelf groente en fruit verbouwd worden. Het is niet nodig om vers voedsel te importeren. Ik denk dat er genoeg boeren zijn op Curaçao om aan de vraag van de supermarkten te kunnen voldoen. Veel producten die in het buitenland worden gekocht, kunnen we hier telen. Paprika en komkommer bijvoorbeeld. Ik hoop dat we in de toekomst alles zelf produceren.”

“Een eigen terrein. Dat is heel erg belangrijk voor een boer die wil groeien. Dan hoef je geen huur te betalen en kun je de opbrengst uit de verkoop gebruiken om te investeren. In een ploeg bijvoorbeeld. Die huur ik nu van de overheid. Met een eigen ploeg heb ik mijn productie helemaal in eigen hand. Zodra de oogst binnen is, kan ik direct het land omploegen en zaaien of poten. Het hele proces van planten en oogsten gaat dan sneller.”

Traditioneel tuinbouwbedrijf

Fernando ziet zichzelf als een ‘traditionele boer’. Hij heeft zijn eigen gereedschappen maar bezit geen machines. De gewassen groeien op het open veld, in de felle zon. Droogte en een stevige wind kunnen de planten uitputten, wat ten koste gaat van de oogst. Goed nathouden, luidt het devies, zowel de planten zelf als de aarde waarin zij groeien. Dat helpt ook tegen ongedierte. Fernando is vooral alert op witte vliegjes. Die nestelen zich onder de jongste blaadjes en zuigen het sap uit de planten die daardoor verzwakt raken en niet groeien. Daarom behandelt hij de groente- en fruitplantjes die twee weken oud zijn met insecticide. Eén keer spuiten is genoeg om te voorkomen dat de oogst verloren gaat.

Die vrijheid, daar geniet ik van.

Fernando Teixeira da Câmara -

Power voor de bodem

De extreme weersomstandigheden vragen veel van de bodem en de planten. Die kunnen wel wat extra voedingsstoffen gebruiken. Dat gebeurt door het land regelmatig te bemesten. Achter op het terrein laat Fernando een grote hoop mest drogen in de zon. Dat is belangrijk, want als de mest nat is, bevat die een te hoge concentratie ammoniak. De cellen van de bladeren van de gewassen worden dan beschadigd en dat remt de groei van de plant. De blaadjes verdrogen en verbranden. Hoe natter de mest, hoe langer die moet drogen. Kippenmest bijvoorbeeld, is veel natter dan koeienmest.

Fernando schept de gedroogde mest in emmers en voegt die toe aan het irrigatiesysteem. Het putwater stroomt via buizen naar de geulen tussen de aanplant. Precies waar het water uit de buis komt, net voor het zo’n kanaal instroomt, voegt Fernando een emmer mest toe. Zo mengt de compost zich met de aarde op de bebouwde grond. Daar gebeurt na verloop van tijd hetzelfde als in een composthoop: micro-organismen verteren het organisch materiaal waarbij belangrijke voedingsstoffen vrij komen die de bodem verrijken. De bodemstructuur verbetert en daardoor kan de grond het water langer vasthouden.

Wieden, water geven, bemesten, zaaien en oogsten. Dat gebeurt allemaal met de hand, hooguit met behulp van een chapi, een hak. Fernando krijgt drie dagen per week hulp van een Haïtiaanse man bij het wieden en schoonhouden van de velden. In het weekeinde komen een vriend en broer helpen. Fernando zelf zorgt ervoor dat alle planten voldoende water krijgen. Oogsten doen ze met z’n allen, in ieder geval op maandag en donderdag. Die dagen levert Fernando aan twee supermarkten en verschillende minimarkten.

Droogte en wind? Hou de aarde goed nat!

Fernando Teixeira da Câmara -

Kijk! Wat onze vierde boeren, João en Fernando Teixeira da Câmara, te zeggen hebben!

MAAK KENNIS MET MEER BOEREN